Jump to Navigation

Vochtbeleid perioperatief kind

Beschrijving

  • Het vochtbeleid bij kinderen is maatwerk, zeker bij zieke kinderen en langduriger toediening. Onderstaande aanbevelingen vormen een startpunt.
  • Pre-, per- en postoperatief gegeven vocht moet isotoon zijn (bijvoorbeeld Sterofundin).

Indicatie

Alle ingrepen bij kinderen tot 1 jaar.

Glucose beleid

  • Neonaten, ex-prematuren tot 60 weken postconceptionele leeftijd, kinderen met cachexie, kinderen met metabole stoornissen, kinderen met ernstige infecties of sepsis, kinderen die lang hebben gevast, kinderen die een lange operatie ondergaan krijgen ook continue glucose toegediend. De startdosering van glucose is:
    • 2-3 mg/kg/min bij kinderen tot 1 jaar
    • 3-5 mg/kg/min bij neonaten
    • 5-10 mg/kg/min bij prematuren en risicokinderen (small for gestational age, diabetes bij de moeder, β – Blokker gebruik, reeds TPV of glucose gebruik)
    • Het verdient aanbeveling de glucosespiegel te monitoren.
    • Glucose wordt gegeven middels glucose 10% oplossing (100mg/ml) via een spuitenpomp.
  • Bij hypoglykemie (< 3.5 mmol/l, bij neonaten <2.6 mmol/l) geve men 2 ml/kg glucose 10% bolus en wordt de onderhoudsdosering glucose verhoogd. Bij hyperglykemie wordt de onderhoudsdosering verlaagd.
  • Kinderen mogen tot 2 uur preoperatief glucose houdende heldere vloeistof drinken. Bij een lange nuchterheidsperiode, een lange ingreep en als postoperatief orale intake niet is toegestaan valt peroperatieve glucosetoediening te overwegen en is monitoren van de glucosespiegel aangewezen.

Perioperatief

  • De basale vochtbehoefte van een kind wordt berekend met de 4-2-1 regel:
    • 1-10 kg 4 ml/kg
    • 11-20 kg 40 ml + 2 ml/kg
    • 20 kg 60 ml + 1 ml/kg
    • Daarnaast wordt een inschatting gemaakt van de compensatie voor aanwezige tekorten, bloedverlies en wondverdamping/ interstitiële vochtverplaatsing. Dit volume wordt dan bij de basale behoefte opgeteld.
  • Acuut bloedverlies met een Hb boven de transfusietrigger (4-5-6 Flexinorm, bij neonaten wordt naar een Hb van 7-8 mmol/l gestreefd) kan opgevangen worden met tetraspan. Bolus van 10 ml/kg.
  • Als vochtbolus in verband met hypovolemie dient altijd een suikervrije isotone vloeistof te worden gebruikt. Een bolus bedraagt 10-20 ml/kg.

Postoperatief

  • De keuze voor een vloeistof in de initiële postoperatieve fase hangt af van de enterale intake. Is enterale intake niet mogelijk en is er geen TPN gestart is een onderhoud volgens de 4-2-1-regel met een isotone vloeistof met eventueel glucose 10% oplossing via een spuitenpomp aangewezen.
  • Bij kinderen die postoperatief uitsluitend infuusvloeistof krijgen dienen bloedconcentraties van glucose en elektrolyten te worden gemonitord.
  • Postoperatief aanhoudende verliezen worden met isotone vloeistof gecompenseerd.

Literatuur:

  • SKA protocol - Perioperatief vochtbeleid bij kinderen – 2013

http://www.anesthesiologie.nl/uploads/kwaliteit/SKA_protocol_PerioperatiefVochtbeleid_201308.pdf

  • Sümpelmann R. et al. European consensus statement for intraoperative fluid therapy in children. Eur J Anaesthesiol 2011;28:637–639
  • Bailey A.G. et al. Perioperative Crystalloid and Colloid Fluid Management in Children: Where Are We and How Did We Get Her? Anesth Analg 2010;110:375–90
Onder beheer van afdeling: 
Anesthesiologen